Dwangvoeding
De Johannes Wier Stichting onderschrijft het standpunt van de World Medical Association dat dwangvoeding van hongerstakers niet geoorloofd is en dat artsen daar nooit aan mogen meewerken. Volgens de Verklaringen van Tokio (1975) en Malta/Marbella (1991, 1992) moeten artsen weigeren aan dwangvoeding mee te werken zolang een gevangene in staat is een eigen oordeel te vormen over de gevolgen van het weigeren van voedsel. Echter, deze laatste verklaring lijkt enige ruimte te bieden voor dwang op het moment dat een hongerstakende gedetineerde in een levensbedreigende situatie dreigt te komen en de controle over de werkelijkheid verliest. Er staat in dat zodra de gevangene het bewustzijn heeft verloren, de arts een beslissing moet nemen gebaseerd op een evaluatie van de 'best interests' van de gevangene. En volgens sommige artsen en de meeste gevangenisdirecties is het in het belang van de gevangene om in leven te blijven, wat dwangvoeding zou legitimeren.
Ernstige mishandeling
Hongerstakers die hun voedselweigering en de daarop volgende dwangbehandeling overleefden, definieerden deze dwangbehandeling meestal als marteling of ernstige mishandeling. Op een website van de Falun Gong-beweging getuigde een ex-gedetineerde aanhangster dat medisch personeel meerdere malen had geprobeerd haar onder dwang te voeden: "Under close watch of the police, the nurses from the Adult Emergency Room forcibly inserted tubes into my stomach, though I was still wearing shackles and handcuffs. The tube entered the oesophagus through my nose. I put forth all my strength to spit the tube out. [...] On the afternoon of February 7, they inserted the tube for the third time. My face was wet from tears, nasal mucus and blood. My nasal cavity and oesophagus was ruptured. When they inserted the tube, I immediately spat it out. They inserted it into my oesophagus after trying six times. [...] On February 10, they stopped force-feeding me. That afternoon, I was released unconditionally. (Bron: http://www.clearharmony.net/articles/200206/5213.html)
Er zijn ook voorbeelden bekend van gevangenen in China en elders die als gevolg van de behandeling overleden. Zo stierf een Chinese onderwijzeres die lid was van de Falun Gong-beweging na enkele dagen hongerstaking doordat per ongeluk haar longen doorboord werden bij de gewelddadige poging een sonde in te brengen. Een landgenoot overleed na zes dagen voedselweigering als gevolg van toediening van een zoutoplossing. Een arts constateerde dat hij gestorven was als gevolg van verstikking veroorzaakt door het toegediende vocht, dat zijn bronchiën had verstopt.
Dilemma: wel of niet meewerken?
Om aan de verwarring rond wel of niet dwangvoeding een einde te maken heeft de World Medical Association in juni 2001 een voorstel voor een amendement gepubliceerd, waarin de organisatie het dilemma van de arts als volgt omschrijft:
"Moral obligation urges the doctor to resuscitate the patient even though it is against the patient's wishes. On the other hand, duty urges the doctor to respect the autonomy of the patient. In its Declaration of Tokyo, however, the WMA has made clear that doctors should not forcibly feed prisoners on hunger strike who have made an informed refusal of food. Where it is known beyond doubt that an informed and competent hunger striker had voluntarily intended to continue to death, that intention should be respected, even after the individual loses the capacity to express a view."
Ook het Nederlandse nationale recht biedt de behandelend arts handvatten. Een persoon die in hongerstaking is, mag in Nederland dwangvoeding weigeren. Iedereen heeft immers het grondwettelijk recht op onaantastbaarheid van het lichaam, ongeacht de aanleiding voor de hongerstaking, zijn identiteit en de eventuele maatschappelijke gevolgen van zijn daad. Alleen een formele wet kan dat recht aantasten.
De zaak Van der G.
Een voorbeeld: In de zomer van 2002 speelde de zaak Volkert van der G., de vermoedelijke moordenaar van Pim Fortuyn. Van der G. ging in juli 2002 in hongerstaking uit protest tegen de zijns inziens onmenselijke behandeling in de cel: er waren continu camera's op hem gericht en het licht ging 's nachts nooit uit. Justitie greep snel in en installeerde infrarood lampen in zijn cel, zodat het licht niet meer 24 uur per dag hoefde te branden. Toch ging Van der G. door met zijn hongerstaking. Een maand later vond een meerderheid van de Tweede Kamer, gesteund door minister Donner van Justitie, dat Van der G. tot elke prijs in leven gehouden moet worden, zelfs als dit zou betekenen dat hij onder dwang gevoed zou moeten worden. Voorstanders van dwangvoeding verwezen in het geval van Volkert van der G. naar de Penitentiaire Beginselenwet. Daarin staat onder andere dat gedetineerden in bepaalde gevallen onder dwang een medische behandeling moeten kunnen ondergaan. Maar, deze wet is bedoeld voor zwaar gestoorde en agressieve gedetineerden en daartoe kan Van der G. niet gerekend worden. Half september 2002 beëindigde Van der G. na 2 maanden zijn hongerstaking.
Standpunt JWS
Volgens de Johannes Wier Stichting mogen gevangenen zoals Van der G. dus niet behandeld worden als zij dat zelf niet willen. In een interview met de NOS op 15 juli 2002 zei René Koene van de JWS-werkgroep Hongerstaking: "Als iemand wilsbekwaam is en tot een weloverwegen oordeel in staat is en hij geeft aan dat hij niet gevoed wil worden, bijvoorbeeld door een schriftelijke wilsbeschikking, dan is het medisch-ethisch niet toegestaan om dit te doen. Iedere patiënt heeft recht om een behandeling te weigeren. Dat is eigenlijk de kern van de zaak. [... ] De enige mogelijkheid is dat een psychiater Volkert van der G. verminderd wilsbekwaam verklaart, maar dan lijkt die psychiater zich wel voor een politiek karretje te laten spannen."
Johannes Wier Stichting: de mensenrechtenorganisatie van en voor artsen, verpleegkundigen en paramedici. De Johannes Wier Stichting mobiliseert professionals in de gezondheidszorg voor de bevordering van mensenrechten.
