Nieuwsbrief Mensenrechten & Gezondheidszorg, april 1999
Inhoud
- Vrouwenrechten en gezondheidszorg in Afghanistan
- Het recht op gezondheidszorg
- Destabilisatie op de Balkan
- Ziekenhuis onthoudt illegaal noodzakelijke zorg
- Hebben vluchtelingen alleen biologische gezinnen?
- Het 'Istanbul Protocol'
- Traumadag
- Hongerstaking
- Opnieuw blokkade Palestijns dorp door leger van Israel
- Open brief Mensenrechten voor de inwoners van Kosovo
- Inwoners van Kosovo hebben recht op meer dan voedsel en dekens
VROUWENRECHTEN EN GEZONDHEIDSZORG IN AFGHANISTAN
Ms. Rasekh obtained extremely distressing testimony last week from the husband of a woman who defied the Taliban's orders and continued to teach girls and young women in her home. The Taliban ordered her several times to close the school, and she refused. Then approximately a year ago, seven or eight armed men entered their home, beat the woman and her husband and again ordered her to close the school. The woman teacher stood up to the Taliban, denounced them, and insisted that she would continue to teach. The armed men struck her with a rifle butt then, in front of her terrified students, husband, and baby daughter, killed her with shots through the head and stomach.
Op 9 maart dit jaar getuigden Zohra Rasekh and Holly Burkhalter van Physicians for Human Rights voor de
Senate Appropriations Subcommittee on Foreign Operations over vrouwenrechten en gezondheidszorg in Afghanistan, op basis van uitgebreid onderzoek dat zij onder vrouwen in Kabul en gevluchte vrouwen in Pakistan hebben uitgevoerd.
Zohra Rasekh, een public health specialist, voerde diepte-interviews uit met 160 Afghaanse vrouwen uit alle etnische groeperingen. Haar bevindingen en follow-up onderzoek onder vluchtelingen in Pakistan leveren het bewijs dat de extreme onderdrukking van vrouwen en meisjes, die in Afghanistan en elders in de wereld onge?venaard is, geen precedenten kent, en gezondheid- en levensbedreigende gevaren voor hen oplevert.
Na de overname van Kabul in 1996 door de Taliban werden vrouwen gedwongen een burqa te dragen, die iedere centimeter huid bedekt, werden zij verboden te werken, onderwijs te volgen of te geven, en verboden uit te gaan zonder begeleiding. Maar nergens was de discriminatie zo ernstig als in de gezondheidszorg. In januari 1997 werden de ziekenhuizen gesegregeerd, en in september dat jaar werd alle gezondheidszorg voor vrouwen opgeschort; vrouwelijke gezondheidswerkers werden geweerd uit de 22 ziekenhuizen van Kabul, terwijl een klein ?voorlopig' ziekenhuis (Rabia Balkhi) met 35 bedden, zonder water, elektriciteit, r?ntgen, zuurstof of chirurgische faciliteiten werd aangewezen als vrouwenziekenhuis.
Mannelijke artsen werd het verboden om vrouwen te behandelen, en zelfs als er al een arts gevonden wordt die bereid is een vrouwelijke pati?nt te zien, kan dat alleen als die een burqa draagt, en de arts moet afgaan op het verhaal van de mannelijke begeleider.
De gevolgen voor de gezondheid zijn desastreus: 71% van de respondenten rapporteren een achteruitgang in de gezondheid, 77% in bemoeilijkte of onmogelijke toegang tot gezondheidszorg, 53% in totale afwezigheid van zorg bij ernstige ziekte. Een Afghaanse arts beschreef de verslechterende voedingstoestand van kinderen, en de sterke toename van tuberculose.
Rasekh ondervroeg vrouwen van wie de dochters gestorven waren omdat zij bij men-only ziekenhuizen geweigerd waren, geen burqa droegen of geen mannelijke begeleider hadden. Rasekh, die geen burqa droeg, maar wel een shawl die alles bedekte, ontsnapte ternauwernood aan de stokslagen van de Taliban omdat er toch nog een stukje van haar pols zichtbaar was.
Het verbod op onderwijs heeft vrouwen en meisjes uiterst kwetsbaar gemaakt voor de landmijnen die nog overal in Kabul liggen, omdat de Taliban meisjes en vrouwen verbieden mee te doen aan landmines awareness and education classes. Een onderzoek in 1998 toonde aan dat 16% van de ondervraagden een direct familielid had verloren aan landmijnen. De VN heeft gerapporteerd dat de dodelijke ongevallen t.g.v. landmijnen onder vrouwen en meisjes sterk is toegenomen.
Het PHR-onderzoek toont buitengewoon hoge scores van psychische stress en depressie; 81% rapporteert een verslechterde psychische gezondheid, 42% voldoen aan de criteria voor PTSD, 97% voor depressie en angst, en 21% rapporteert su?cidale gedachten te hebben. Deze extreme cijfers kunnen worden verklaard door de gedwongen segregatie, verbod te werken, en het verbod op gezondheidszorg. De grote angst komt voor uit de re?le kans op geweld wanneer zij niet ?goed' gekleed gaan, of geen mannelijke begeleiding hebben. Van 68% van de ondervraagden blijkt dat zij zelf of een familielid gevangen genomen is geweest; van deze detentie ging 54% gepaard met geweld (slaan) en 21% met foltering. Het gedwongen getuige zijn van lijfstraffen cre?ert een permanente sfeer van angst en intimidatie.
The Taliban's practice of summoning Kabul residents to witness the carrying out of Sha'ria (Islamic law) punishments handed down by its kangaroo courts, including beheadings, floggings, amputation of limbs, stoning, collapsing walls, and hangings, further traumatize the population, including children. Women interviewed by PHR's Zohra Rasekh told her they have difficulty forgetting past trauma (including terrible suffering during the Soviet occupation, injuries from mortars, rockets, and landmines during years of civil war in the mid-1990's, and the insecurity of theft, murder and rape during the breakdown of civil authority during the period 1992-1996.
Het verbod voor vrouwen om te werken heeft ook tot grote armoede geleid; alleen al in Kabul hebben tussen 30.000 en 60.000 huishoudens met een weduwe als hoofd geen inkomen meer. Vrouwen met voorheen goede banen zoals lerares, arts, verpleegkundige, zijn letterlijk aan de bedelstaf geraakt, omdat alleen de aalmoes hen en hun kinderen nog enigszins kan voeden. Humanitaire hulp heeft deze vrouwen niet kunnen bereiken; van de respondenten heeft slechts 6% enigerlei vorm van buitenlandse humanitaire hulp ontvangen. Human Rights Watch onderzoekers die de stad Mazar-I Sharif bezochten, hoorden van getuigen over het op grote schaal uitmoorden door de Taliban van ongewapende mannen, vrouwen en kinderen van de Hazara minderheid; vrouwen van deze etnische groep werden systematisch verkracht
Behalve in Afghanistan deed Rasekh ook onderzoek in de vluchtelingenkampen voor Afghaanse vrouwen in Peshawar. Het bleek dat veel nieuwkomers geen enkele hulp ontvingen, geen idee hadden welke hulp eventueel wel verkrijgbaar was, en slechtoffer waren van willekeur en afpersing door Pakistaanse politie. Dergelijke conclusies waren ook als door het Human Rights Watch's Women's Rights Project getrokken. Het kamp in Akora is extreem overbevolkt onder uiterst slechte omstandigheden; geen toiletten en alleen voor de 'gelukkigen' een stuk plastic om onder te slapen, en weinig en slecht voedsel. De UNHCR is goed op de hoogte van de problematiek, maar heeft veel te weinig geld (minder dan 50% van het benodigde) om er iets aan te doen. En hoewel het buitenland veelal denkt dat het voor Afghaanse vluchtelingen veilig is om terug te keren (iets wat honderdduizenden de afgelopen jaren ook gedaan hebben), ontvluchten dagelijks nog vele duizenden hun land, vooral vrouwen met kinderen, en etnische minderheden op de vlucht voor de Taliban. PHR, Human Rights Watch en anderen zijn bezorgd voor de veiligheid van vrouwen in de kampen. PHR ontving rapporten over verkrachtingen, diefstal en afpersing door Pakistaanse politie, en ook door Taliban ?strijders', die de grens gemakkelijk over kunnen steken. De UNHCR onderkent dit probleem, maar ziet als enige oplossing om de vrouwen die de meeste risico's lopen naar een third country te brengen. In 1998 zijn 51 van dergelijke security cases met in totaal 297 mensen geholpen. Extra probleem is dat deze mensen bedreigd worden wanneer ze geinterviewde gaan worden voor asiel in het buitenland. Alleen snel vertrek, afdoende bescherming en voldoende landenquota's zouden een goede remedie zijn; alle drie zijn echter een utopie, aldus de UNHCR
Oproep tot actie
Rasekh en Burkhalter doen een dringend beroep op de regering van de VS, en andere regeringen om de Afghaanse vluchtelinge in Pakistan te hulp te komen, en om bij de regering van Pakistan krachtig te protesteren tegen hun uitbuiting; de Pakistaanse overheid moet onderzoek doen naar wangedrag bij de politie, en naar de toenemende, politiek gemotiveerde terreur in de kampen. De UNHCR moet ombudsmensen aanstellen in de kampen waar vluchtelingen veilig en vertrouwelijk klachten over o.a. abuses kunnen melden.Nu de Taliban uitziet naar erkenning, en graag VN programma's en internationale investeringen binnen wil halen, moeten regeringen niet de kans laten liggen om duidelijk te maken dat enige vorm van erkenning net zo lang uitblijft als de Taliban doorgaar met de brute schending van mensenrechten en onderdrukking van vrouwen. De VS moeten duidelijk maken dat, ook wanneer de Taliban bereid is te onderhandelen over de uitlevering van Bin Laden, een erkenning er niet inzit.
Andere regeringen moeten een dergelijke duidelijke houding hebben. De VN moeten diepgaand en langdurig onderzoek doen naar misdaden tegen vrouwen en minderheden, en wellicht zelfs genocide. Er moet op grote schaal humanitaire hulp worden verleend aan Afghaanse vluchtelingen in Pakistan. Donororganisaties moeten de UNHCR financieel steunen en effectief aansporen om de nieuw aangekomen vluchtelingen noodhulp te geven, gezondheidszorg, onderwijs en inkomensgenererende projecten voor vrouwen.
Op 20 januari promoveerde Brigit Toebes in Utrecht op het proefschrift The Right to Health as a Human Right in International Law 1 tot doctor in de rechtswetenschappen.
In dit voor mensenrechten, en in het bijzonder organisaties voor Health and Human Rights uiterst relevante boek, wordt duidelijk en onomwonden gesproken van het recht op gezondheid. Hoewel er door sommige (gezondheids)juristen wel bezwaar gemaakt is tegen deze term, lijkt er nu toch sprake te zijn van een doorbraak in het denken over het recht op gezondheid, en een aansluiting bij de in het buitenland meer gangbare term right to health. Langdurig en taai is immers de strijd (geweest) over de vraag over zoiets als 'gezondheid' dat niet 'afgedwongen' kan worden, evenmin als 'geluk', zo betogen de tegenstanders. Uiteraard is dat voor Toebes niet het uitgangspunt, zo verduidelijkt zij de keuze voor het begrip 'recht op gezondheid' ; echter het veelal gehanteerde begrip 'recht op gezondheidszorg' is veel te smal. Het is immers al heel lang bekend dat om de gezondheid te bevorderen, niet alleen aan gezondheidszorg aandacht moet worden besteed, maar ook aan b.v. schoon drinkwater en een gezond leefmilieu. Internationale mensenrechtenverdragen zijn wat dat betreft dan ook veel breder en bevatten specifieke paragrafen over rechten op zaken die de gezondheid bevorderen en niet thuishoren in de 'gezondheidszorg'.
Toebes behandelt de verschillende verdragen en verklaringen waarin het recht op gezondheid verwoord is, zoals het Internationaal Verdrag inzake Sociaal, Economische en Culturele Rechten, het Vrouwenverdrag, het Kinderverdrag en het Europees Sociaal Handvest. Uit de verschillende rapportages aan de toezichthoudende organen van deze verdragen blijkt dat het recht op gezondheid wordt gesplitst in 'gezondheidszorg' (curatieve en preventieve gezondheidszorg) en 'condities voor de gezondheid' (schoon drinkwater, gezond leefmilieu, goede rioleringen, gezonde arbeidsomstandigheden, en gezondheidsgerelateerde informatie). Verschillende verdragscomit?s besteden aandacht aan kwetsbare groepen zoals ouderen, gehandicapten, vrouwen, kinderen, minderheden, migranten en vluchtelingen. Deze hebben veelal een gebrekkige toegang tot gezondheidszorg, en de comit?s dringen erop aan om maatregelen te nemen om deze toegang juist te garanderen.
Toebes verheldert het begrip 'recht op gezondheid' door drie lagen te onderscheiden.
- De algemene inhoud van het recht op gezondheid (af te leiden uit verdragsbepalingen)
- De overlap met andere mensenrechten (recht op voedsel en recht op gezondheid omvatten beide een recht op gezond voedsel)
- De kerninhoud van het recht op gezondheid. Economische en sociale rechten mogen 'geleidelijk verwezenlijkt' worden; er is echter een core content van minimumcondities dat staten onmiddellijk en onder elke omstandigheid moeten garanderen. Voor het formuleren van deze core contents kan B. gedacht worden aan de Primary Health Care strategy van de WHO .
De rechten die individuen hebben op gezondheid hebben hun spiegelbeeld in de verplichtingen van staten.
Daarbij kan onderscheid gemaakt worden tussen termen met verschillende 'verplichtingskracht'. Zo heeft to recognise minder rechtskracht dan to ensure .
Hoe vatbaar het recht op gezondheid is voor rechterlijke toetsing, hangt o.a. af van de mate van inspanningsverplichting van de verdragteksten. Een 'negatieve' inspanningsplicht (respect) zal gemakkelijker te toetsen zijn dan een 'positieve'inspanningsplicht, zoals verplichtingen ter 'bescherming' en ter 'verwezenlijking'.
Zowel inhoudelijk als emotioneel is er al heel lang een taaie discussie binnen health and human rights organisations over een zekere 'hi?rarchie' van mensenrechten ('folteren is erger dan slechte toegang tot zorg').
Keer op keer betogen mensenrechtenjuristen dat het hele stelsel van verdragen en verklaringen, rechten en verplichtingen, ??n en ondeelbaar zijn. Binnen het onderzoek naar gezondheidsgerelateerde mensenrechtenschendingen krijgt deze ondeelbare basis een steeds duidelijkere erkenning.
Het proefschrift van Brigit Toebes is daarbij een belangrijk en helder document, zowel voor Nederland als daarbuiten.
A. van Es
Drie weken na het begin van het NAVO-luchtoffensief tegen Servië is de situatie van de Balkan explosief veranderd. Het overleg in Rambouillet had niets opgeleverd, en ook de dreigementen met bombardementen deden Milosevic niet inbinden. De formele inzet van het luchtoffensief was het stoppen van de genocide op de etnisch Albanese bevolking van Kosova en het stoppen van de ethnic cleansing van Kosova.
Over het voorlopige eindresultaat van het luchtoffensief zal uiteindelijk de geschiedenis oordelen, maar het ziet ernaar uit dat de genoemde doelstellingen niet gehaald zijn; integendeel, de massamoorden op Kosovaren en de etnische schoonmaak zijn in versneld tempo uitgevoerd. Daarnaast is de NAVO van een verdedigingspact veranderd in een internationale offensieve 'politiemacht' die ook buiten de autoriteit van de VN opereert. De legitimiteit wat betreft de internationaal juridische basis daarvan wordt nu al betwist. Daarnaast is er een formidabele humanitaire ramp ontstaan: een vluchtelingenstroom die in het Europa na 1945 niet eerder is gezien.
Politiek gezien dreigt o.a. destabilisatie van Macedoni?, en is voedsel gegeven aan de gedachte aan een 'groot Albanië'.
Deze overwegingen geven uiteraard absoluut geen antwoord op de vraag hoe het dan wel had gemoeten; echter het dilemma 'hek erom en niet mee bemoeien' versus 'met geweld ingrijpen' is in het laatste beslist.
Deze belangrijke historische wending zal een langdurige politieke en internationaal-juridische naklank hebben, en ook voor de medische aspecten van mensenrechten en internationaal humanitair recht belangrijke gevolgen hebben. Wanneer deze offensieve geweldsinterventie gelegitimeerd zal worden en dus een precedentwerking zal hebben, dan betekent dit dat - afgezien van de vraag of deze ontwikkeling wenselijk is - in de toekomst er gerekend moet worden met secundaire humanitaire problemen waarop - ook medisch - moet worden geanticipeerd. Immers vluchtelingenstromen van grote omvang en de opvang daarvan kunnen dan worden voorzien, en rekening moet worden gehouden met schendingen van medische neutraliteit.
Vanuit mensenrechtenorganisaties, ook vanuit de Johannes Wier Stichting, is sinds het conflict in het voormalig Joegoslavi?, regelmatig aandacht gevraagd voor de mensenrechtenschendingen en hebben kleinere of grotere onderzoeksmissies bijgedragen aan de beeldvorming, hebben gewaarschuwd, en hebben gevraagd om acties die verdere uitbreiding van het conflict konden voorkomen.
Er zijn door de JWS en haar zusterorganisaties in de International Federation of Health and Human Rights Organisiations (IFHHRO) in verband met Kosova nogal wat acties genomen.
- In 1989 en 1990 sturen de JWS en PHR-USA een waarnemer naar een proces tegen (Servische) gevangenisbewaarders die in de gevangenis van Leskovac een groep Albanese gevangenen hebben mishandeld en gefolterd. De Servi?rs komen er met een lichte straf vanaf, en de missie stelt vast dat ook de gevangenisarts bij de mishandelingen betrokken was.
- In 1993 stuurt de JWS een missie naar Belgrado om beschuldigingen van 'medische experimenten' door Servische artsen op gevangenen te onderzoeken. In de internationale pers, en in het Europese parlement circuleerden berichten over ernstige misdragingen van Servische artsen die o.a. dieren foetussen in de uterus van zwangere vrouwen zouden hebben geplaatst. Tijdens de missie konden voor deze beschuldigingen geen aanwijzingen worden gevonden.
- Tussen 1991 en 1995 stuurt PHR-USA verschillende missies naar het voormalig Joegoslavi?, en documenteert ernstige schendingen van medische neutraliteit ('Medicine under Siege in the Former Yugoslavia')
- In de jaren 1991-1996 worden grote aantallen massagraven onderzocht door internationale forensische teams, waarin ook door de JWS uitgezonden forensische experts participeren (1996). Mede door het daarbij gevonden bewijsmateriaal worden daders van misdaden tegen de menselijkheid in staat van beschuldiging gesteld door het International Criminal Tribunal for the former Yugoslavia in Den Haag.
- In 1998 stuurt de JWS een onderzoeksmissie naar Kosova; de moeilijke positie van artsen in Kosova werd onderzocht en vastgesteld wordt dat Servische autoriteiten evidente mensenrechtenschendingen niet willen onderzoeken. (Zie het rapport Health Care under Siege', the situation of the health professionals in Kosova's mounting crisis').
- Ook PHR-USA stuurt een missie naar Noord ?Albani? en interviewt vluchtelingen, waardoor een beeld ontstaat van de wreedheden die de Albanese bevolking in Kosova ondergaat ('Medical Group Recoundts Individual Testimonies of Human Rights Abuses in Kosovo').
- Artsen zonder Grenzen laat in oktober 1998 weten dat etnisch Albanese artsen in Kosova selectief doelwit zijn van moord, foltering en verdwijning, vanwege hun positie als vertrouwenspersoon van de bevolking van Kosova.
- Op verzoek van de International Federation of Health and Human Rights Organsiations (IFHHRO) neemt de World Medical Association een resolutie aan tijdens de WMA General Assembly in Ottawa over de situatie in Kosova, en vooral die van Kosovaarse artsen.
- De International Federation of Health and Human Rights Organsiations (IFHHRO) stelt op grond van de diverse missies en de resolutie van de WMA het 'KOSOVA FILE' samen, dat wordt aangeboden aan de vergadering van de VN Social and Economic Council eind 1998.
- Tijdens de jaarlijkse vergadering van de International Federation of Health and Human Rights Organsiations (IFHHRO) in 1998 in Bombay, wordt besloten om de OVSE te verzoeken een duidelijk en nadrukkelijk mandaat voor het onderzoek naar schendingen van medische neutraliteit te geven aan de OVSE waarnemers in Kosova. De BMA schrijft hiertoe een brief aan Robin Cook, de Minister van Buitenlandse Zaken van Engeland, de voorzitter van de Europese Unie op dat moment.
- De situatie voor de bevolking in Kosova verslechtert snel, en Rambouillet leidt niet tot resultaten. PHR-USA roept begin februari 1999 op tot het inzetten van grondtroepen ter bescherming van de Kosovaarse bevolking.
- Sinds het begin van de bombardementen op Servische doelen heeft PHR-Usa een waarnemer in Macedonie, die persberichten verstuurt (zie kader).
PHYSICIANS FOR HUMAN RIGHTS GRAVELY CONCERNED ABOUT THE NATURE OF FORCED REMOVAL OF REFUGEES
Press release from Macedonia by Dr. Sheri Fink of Physicians for Human Rights in Macedonia
*The horrid border camp Blace, which held tens of thousands of refugees in squalid conditions, is now shockingly empty. Last night and early this morning, thousands of refugees at the Kosovo-Macedonia border crossing, Blace, were loaded onto buses without being told where they were being taken. PHR physicians spent all night at the Blace crossing, witnessing the removal of the last hundreds of Albanian refugees. Macedonian authorities completed emptying the camp at roughly 3:00 am.
* Macedonian authorities refused to allow refugees to take their possessions, saying that they had to leave their belongings behind so that they could be removed as quickly as possible. PHR investigators heard many refugees beg to stay for fear of being further separated from their loved ones.
*While PHR physicians did not themselves witness Kosovars being bused back into Kosovo via this border crossing last night, PHR has received unconfirmed reports that hundreds of Albanians who had been waiting for days for entry through the Macedonian border were told to turn around and return to Kosovo. If these unconfirmed reports prove true, this would be a gross violation of international law.
*Tens of thousands of the refugees who were forced to leave Blace later showed up in a nearby NATO-run camp in Stankovic, Macedonia.
*PHR has received reports that of the refugees who were bused out of Macedonia, 10,000 of the refugees taken were taken to two different cities in Albania, tens of thousands were taken to two transient camps in Albania, Pogradec and Korca, and still others were taken through Greece to Turkey.
* The two PHR investigators were highly concerned that the last 48 ethnic Albanians, many ill and immobile, would be forced to leave. They remained present in the medical aid area all night to ensure that this did
not occur, and made sure that these sick refugees were put in the care of UNHCR.
* Police stood at the head of the crowd and loaded families onto buses. Most of the refugees interviewed by PHR had no idea to where they were being taken. A few suggested Albania, Greece or Turkey. None mentioned they thought they were being returned to Kosovo.
*A PHR physician spoke with one refugee whose family had been expelled from Pristina and sent by train to the Macedonian border 4 days previously. He said he didn't know where he was being taken. Asked what he wanted, he answered, "to go back to our home and our city."
*Amid the removal process, PHR physicians intervened personally to help an elderly immobile woman and a middle-aged man with neurological disorder reunite with family members in Macedonia and England.
*At first light, the PHR physicians toured the campgrounds, planning to search for those who may have been left behind due to illness or neglect. Before being recalled by Macedonian police, who yelled to them that they were in Serbian territory (they were not), they made their way through part of the ghost camp. Strewn inside and outside of the thousands of plastic lean-tos were not only refuse, but precious possessions and necessities: piles of photographs, baby carriages, world band radios and blankets, sleeping bags. A group of journalists later uncovered an elderly lady.
*Later, after ensuring that the remaining refugees would be taken care of by the Organization for Security and Cooperation in Europe and UNHCR, PHR toured the new collective camp at Stankovic - run by French NATO
soldiers just south of the border. PHR investigators reported that while the conditions in Stankovic were better than the border camp at Blace, many refugees interviewed said they had spent the night outside without
cover, had not received adequate food, and did not have bathing facilities.
*"We are like kidnapped men," said a frantic man in his twenties who said he had gone to the border crossing at Blace from his own home in Macedonia to search for his wife, only to be told by the border police that he could not leave the camp. He was then bused to Stankovic, where he said the Macedonian camp guards threatened to shoot him when he tried to leave this morning. PHR accompanied the man when he tried to leave again and was turned back by a soldier who asked him to show a special paper guaranteeing that a Macedonian citizen sponsored his presence in the country.
*Another man bemoaned having to spend another night outdoors, this time without even the cover of plastic sheeting. "Nobody has come to ask us how we feel," he said. "Nobody's really interested in our fate."
As the man spoke, a sharp sound cracked from the direction of the border, so loud it hurt and left the ears humming. The man barely flinched and those around smiled at those neophytes who did. "That's nothing," one said. "You should have heard what it was like in Kosovo." The physicians headed for the exit as one man offered to pay them for cigarettes, a commodity that may be bought for regular price just a few hundred meters outside the guarded camp.
A. van Es, secretaris IFHHRO
ZIEKENHUIS ONTHOUDT ILLEGAAL NOODZAKELIJKE ZORG
Koppelingswet werkt schending mensenrechten in de hand.
De Johannes Wier Stichting maakt zich bezorgd over de kwaliteit van de medische hulp aan illegaal in Nederland verblijvende buitenlanders. Sinds per 1 juli jongstleden de Koppelingswet van kracht werd, is het voor illegalen niet meer mogelijk via het ziekenfonds verzekerd te zijn tegen ziektekosten of een beroep te doen op de Bijstandswet in geval van ernstige ziekte. Artsen en ziekenhuizen moeten voortaan de meeste kosten van medische hulp aan illegalen zelf betalen. Het risico bestaat dat artsen om financi?le redenen in hun zorg onderscheid gaan maken tussen mensen met en mensen zonder verblijfsvergunning, hetgeen in strijd zou zijn met mensenrechtenverdragen en de medische beroepscode.
Deze bezorgdheid heeft geleid tot de oprichting van een werkgroep 'gezondheidszorg en illegalen', die knelpunten in de medische zorg voor illegalen inventariseert en bekend maakt.
In dit kader is de werkgroep een casus ter ore gekomen waarin de medische zorg aan een illegaal in Nederland verblijvende buitenlander in eerste aanleg tekort schoot. Deze casus maken wij bekend opdat vergelijkbare fouten in de toekomst vermeden kunnen worden.
De casus.
Een slachtoffer van een verkeersongeluk kwam op een Eerste Hulp ? afdeling met een crushletsel van het onderbeen waarbij het risico op weefselversterf ten gevolge van een compartimentsyndroom dermate groot is, dat de gangbare behandeling bestaat uit een operatie. De pati?nt bleek echter illegaal in Nederland te verblijven en dientengevolge niet verzekerd tegen ziektekosten. De EHBO- arts informeerde volgens protocol hierover de directie van het ziekenhuis. Deze gaf de instructie uitsluitend te opereren in geval van levensgevaar. Daar hier geen sprake van was, nam de dienstdoende chirurg het besluit de gangbare operatie niet uit te voeren. Vermeld moet worden dat hij dit besluit moest nemen terwijl hij een andere pati?nt aan het opereren was. Bekend met het complicatierisico besloot hij de pati?nt terug te laten komen. Bij controle de volgende dag bleek inderdaad een compartimentsyndroom opgetreden te zijn. Met spoed werd de pati?nt alsnog geopereerd. Daags na de operatie kan nog niet voorspeld worden of er blijvend functieverlies zal zijn. Artsen en verpleegkundigen op de afdeling voelen zich beschaamd dat zij een pati?nt de noodzakelijke zorg aanvankelijk hadden onthouden.
Waar ging het fout?
In de onderhavige casus heeft de directie om financi?le redenen zich bemoeid met het medische beleid en hierbij gebruik gemaakt van een verkeerd criterium: levensgevaar.
De eindverantwoordelijke chirurg, de behandelend arts, heeft zijn deskundigheid en professionele autonomie ondergeschikt gemaakt aan het gezag van de directie. Hij heeft zich niet laten leiden door zijn eigen oordeel over wat medisch noodzakelijk was, maar door het op bedrijfseconomische gronden gebaseerd oordeel van de directie. Uiteindelijk blijft hij echter verantwoordelijk voor de beslissing. Wanneer de betrokken pati?nt gevolgen ondervindt die niet zouden zijn opgetreden wanneer de gangbare behandeling had plaatsgevonden, kan de behandelend arts zowel tuchtrechtelijk als civiel ? en strafrechtelijk aangesproken worden.
Toch moet men zich afvragen of directie en behandelend arts dit onjuiste gedrag te verwijten valt. De arts moest stante pede een besluit nemen over een vraag waarover hij wellicht niet eerder had nagedacht. De directie stond voor het probleem dat ten gevolge van een overheidsbesluit het ziekenhuis werd geconfronteerd met oninbare kosten. Wellicht speelde een verkeerde interpretatie van de Koppelingswet een rol.
Misverstand
Ten onrechte wordt namelijk wel verondersteld dat op grond van de Koppelingswet illegalen geen recht meer hebben op medische zorg, terwijl deze wet hen 'uitsluitend' het recht op financiering vanuit collectieve middelen ontzegt. Er is dus een financi?le belemmering ontstaan voor de medische zorg aan illegalen. Financi?le overwegingen mogen echter nimmer het medisch oordeel van de behandelend arts in de weg staan: deze heeft de medisch ? ethische plicht om de pati?nt zonder aanzien des persoon de noodzakelijke behandeling te geven (KNMG gedragsregel 1.2). En het is aan de behandelend arts te beoordelen wat bij deze pati?nt onder medisch noodzakelijke zorg wordt verstaan.
KNMG en Inspectie voor de Gezondheidszorg onderschrijven dit uitgangspunt.
Hoe moet het wel.
Elke arts die een verzoek om medische zorg krijgt moet op grond van professionele argumenten beslissen welke zorg in dat geval nodig en passend is. Samen met de directie van de zorginstelling kan eventueel bekeken worden hoe de noodzakelijke zorg zo zuinig mogelijk geleverd kan worden.
De Koppelingswet is verwarrend en voedt de negatieve beeldvorming rond illegalen: mensen krijgen de indruk dat het verboden is om 'iets' te doen voor illegalen.
Artsen moeten zich bewust zijn van hun professionele verantwoordelijkheid en vrijheid. Directies moeten deze professionele autonomie respecteren. Samen moeten zij richtlijnen maken die waarborgen dat ook illegalen de zorg krijgen die zij nodig hebben.
Namens de Werkgroep Gezondheidszorg en Illegalen,
Maria van den Muijsenbergh en Kea Fogelberg, huisartsen.
HEBBEN VLUCHTELINGEN ALLEEN BIOLOGISCHE GEZINNEN?
DNA onderzoek bij familiehereniging van vluchtelingen
De Nederlandse wet geeft vluchtelingen (en andere vreemdelingen) onder bepaalde voorwaarden de mogelijkheid om hun familie te laten overkomen met het oog op gezinshereniging. Recent heeft de Immigratie en Naturalisatie Dienst (IND) voorstellen gedaan om DNA-matching toe te passen voor een 'juiste selectie', met als motief om toevloed van 'oneigenlijke' familieleden tegen te gaan.
Het uitgangspunt daarbij zou zijn dat een gezin, of familie uitsluitend bestaat uit biologisch traceerbare mensen. Deze opvatting doet geen recht aan - ook in Nederland - bestaande werkelijke gezinsbanden die mede op niet biologische banden berust (b.v. adoptie, samengestelde gezinnen). Daarnaast bestaan er culturen waarin de opvatting over gezin en familie weer gehaald anders zijn. DNA-matching kan daarnaast verwarrend en schadelijk zijn voor de onderzochte persoon wanneer blijkt dat een door hen veronderstelde bloedband niet blijkt te bestaan. Ook in Nederland zou bij DNA onderzoek binnen 'biologische' gezinnen bij een bepaald percentage gezinsleden blijken dat zij biologisch niet tot het gezin behoren; kennis hiervan is vanzelfsprekend voor ouders en kinderen verwarrend en (soms) ongewenst, zelfs traumatisch en dus schadelijk.
De rechtmatigheid van de beperking van het begrip 'familie' tot door middel van DNA-matching vast te stellen biologische banden lijkt dus op zijn minst twijfelachtig, en zou de mensenrechtentoets wel eens niet kunnen doorstaan. In dat geval zou het toepassen van DNA matching in de richting van misbruik van forensische expertise gaan. Medici en paramedici, werkzaam in de toegepaste DNA technologie moeten zich van deze dilemma's goed bewust zijn.
A. van Es
Sommige documenten, ook die van de VN, krijgen nicknames die gebaseerd zijn op de naam van een stad waar het document (voor het eerst) werd geproduceerd of voorgesteld.
De Minnesota Lawyers for Human Rights ontwierpen in samenwerking met forensische experts het z.g. 'Minnesota' Protocol. Deze gedetailleerde standaard voor de uitvoering van een goed forensisch onderzoek naar politieke (massa)moorden werd de door de VN geadopteerde standaard voor dit soort onderzoek, behorende bij de Principles on the Effective Prevention and Investigation of Extra-legal, Arbitrary and Summary Executions van 1989. Dit protocol is inmiddels de standaard geworden voor het onderzoek naar massagraven zoals dat o.a. is en wordt uitgevoerd in het voormalig Joegoslavi? en in Rwanda.
Naar analogie van het Minnesota Protocol hebben juristen en forensische experts het plan opgevat om een internationale standaard te ontwerpen voor het adequaat documenteren van foltering bij levende slachtoffers.
Een dergelijke standaard zou een instrument worden behorende bij Convention against Torture and Other Cruel, Inhuman or Degrading Treatment or Punishment. Met een dergelijke standaard zouden regeringen kunnen worden gedwongen erop toe te zien dat beschuldigingen van foltering fatsoenlijk en volgens bepaalde minimumeisen worden onderzocht (hetzij door de regering zelf, hetzij door een externe commissie).
De behoefte aan een dergelijk protocol werd duidelijk gevoeld toen PHR-USA in samenwerking met Turkse artsen in Turkije onderzoek deed naar foltering en de rol van artsen. Het niveau waarop forensisch onderzoek werd gedaan bleek onvoldoende, en de wijze van documentatie volstrekt inadequaat.
Er volgden enkele drafts van wat inmiddels het 'Istanbul Protocol'was gaan heten. Vele organisaties deden aan de besprekingen mee; de VN staat achter het voorstel, en de Special Rapporteur on Torture, Professor Sir Nigel Rodley doet aan de besprekingen mee.
Namens de International Federation of Health and Human Rights Federation (IFHHRO) deed Adriaan van Es mee aan de conferentie over het protocol in Istanbul van 11-13 maart.
Uit bezorgdheid voor een te grote afstand tussen de werkelijkheid van de medicus practicus en een groot ('theoretisch') protocol, en dus over een slechte implementatie schreven Jim Welsh (Amnesty), Ann Sommerville (BMA) en Adriaan van Es een memorandum dat erg goed ontvangen werd, en waarvan de inhoud een plaats kreeg in de aanbevelingen. In het memorandum wordt vooral aangedrongen op duidelijkheid, uitvoerbaarheid, het regelen van de relatie tussen het internationale protocol en al bestaande plaatselijke protocollen, het tegengaan van misbruik van het protocol (door advokaten van daders) tijdens processen, en het 'vertalen' van het protocol in een handzame standaard voor 'gebruik tijdens het spreekuur', en voor het geven van onderwijs.
Adriaan van Es, secretaris IFHHRO
De tijd heelt niet alle wonden. Op 8 september kwamen zo'n zeshonderd mensen naar de 'Publieksdag Trauma door Oorlogsgeweld'. Organisatoren waren de `Vrienden van Amcha', een instituut voor overlevenden van de holocaust in Israël dat nu tien jaar bestaat, samen met het Nederlandse Rode Kruis en de stichting ICODO, die ook voor holocaust-slachtoffers werkt. Van een aanzienlijk deel van dat publiek kon je, gezien hun leeftijd, vermoeden dat ze eerste generatie slachtoffers waren. Volgens de statistieken heeft zo'n 35 procent van degenen die de Tweede Wereldoorlog hebben meegemaakt, op enigerlei wijze nog `last' van die oorlog - dat zijn in Nederland meer dan driehonderdduizend mensen, velen van hen boven de tachtig jaar.
In 1878 maakte de medische literatuur voor het eerst melding van `psychisch trauma'. Het duurde lang voordat, in Nederland ook, de omvang van dat probleem beseft werd. In de periode van wederopbouw gold omkijken als een verzwakking van krachten. Begin jaren zeventig gingen hoogleraren pleiten voor een humane behandeling van gevangenen - eerder opvang dan straf. Ze kregen veel bijval. Tegelijkertijd ontvouwde premier Van Agt zijn plan voor vrijlating van de drie oorlogsmisdadigers die nog in Breda gevangen zaten. Hij kreeg een storm van hoogst emotionele kritiek. Sindsdien is er in onderzoek van psychotrauma veel ge?nvesteerd: voor de tweede en derde generatie van WO II, voor vluchtelingen, voor militairen die terugkeerden van VN-vredesmissies.
De laatste uitgave van het internationale handboek voor psychiatrie, in de wandeling aangeduid als DSM IV, wordt de Posttraumatisch Stress Stoornis (PTS) omschreven met kenmerken als: overheersende gevoelens van angst en machteloosheid, een afwisseling van vermijding en herbeleving, overmatige waakzaamheid en slapeloosheid. De aanleiding kan een eenmalige gebeurtenis zijn of langdurige blootstelling aan geweld. PTS kan een heel particuliere oorzaak hebben, zoals een gewelddadige overval, of een veel bredere context, zoals een onderduikperiode in oorlogstijd. De klachten kunnen mensen treffen die lijfelijk gevaar hebben gevoeld, maar ook degenen die er alleen maar over gehoord of gelezen hebben. De tolken van het Joegoslavi?-tribunaal, de hulpverleners van de Bijlmerramp en de `intakers' van Vluchtelingenwerk lopen een re?el risico op PTS.
Maar de werkelijkheid van PTS is niet zo eenduidig. Gerrit Huijser, generaal b.d. en voorzitter van de Stichting Dienstverlening Veteranen, beschreef wat de variatie is in de combinatie van mens en trauma. `Zo'n drie tot vijf procent van de bevolking lijdt aan PTS. Daarnaast is er een veel groter percentage dat problemen heeft. Uit interviews met driehonderd veteranen bleek dat ruim de helft van degenen boven de 65 jaar, al zo'n tien jaar last had. Ook het percentage onder jongeren is groot. Daarentegen lijkt de generatie tussen 35 en 55 jaar naar verhouding schadevrij. Er is vak sprake van een incubatietijd.' Onno van der Hart, hoogleraar psychologie, wees erop dat maar een minderheid zich bij de hulpverlening meldt. `Zo'n 1500 veteranen staan onder behandeling. Van de totale groep vluchtelingen, ruim 31.000, doen op dit moment 2600 een beroep op reguliere hulp.' Zijn collega Rolf Kleber kwam met vergelijkbare cijfers. `Tussen de tien en dertig procent van de mensen lijkt niet in staat een schokkende gebeurtenis te verwerken. De veerkracht hangt af van de persoon, maar er zijn andere factoren in het spel. Vaak ontstaan trauma's niet meteen, maar door ontkenning en onderwaardering van de omgeving. Mensen die ouder worden verliezen hun spankracht. Of er is een crisis in het gezin die na jaren alles plotseling boven brengt.' Trudy Mooren, psychologe van de Universiteit Utrecht, vulde dat aan met gegevens over jonge kinderen. Kinderen kunnen leven lang last houden van trauma's, doordat gebeurtenissen hun basisvertrouwen diepgaand schokken maar ook als gevolg van gebrek aan voedsel en zorg.
Het boek van de Amerikaanse psychiater Judith Herman, Trauma en herstel (1993) is inmiddels zowel bij beroepsgroepen als publiek de toonaangevende studie. Herman beschrijft de lange periode van stelselmatige ontkenning van trauma's: bij Freud, bij slachtoffers van seksueel geweld en incest, bij veteranen van de Eerste en de Tweede Wereld. Shellshock was gedurende bijna een eeuw de diagnose die nog het dichtstbij kwam. Pas de Vietnam-veteranen werden in de jaren zeventig aanleiding tot bezinning op de omvang van het probleem. Hermans model van genezing kent drie stappen. Eerst het cre?ren van veiligheid; dan het doorleven van de herinnering en rouw; ten slotte het `herstel van de verbondenheid', dus integratie in wat als een gewoon leven voelt. Psychotherapeuten in Nederland gebruiken dat model veelvuldig. Toch blijft ook de wetenschappelijke twijfel bestaan. Dit jaar publiceerde Allan Young zijn boek The Harmony of Illusions. Inventing Post-Traumatic Stress Disorder, waarin hij waarschuwt voor de neiging het PTS-etiket op van alles en nog wat te plakken. Hij laat onder meer zien hoe Vietnam-soldaten die zich met klachten meldden, door de behandelaars nogal eens met suggestieve vragen in de richting van zo'n PTS werden geleid.
Al met al is het dan ook nog steeds zoeken naar de goede behandeling. Psychiater Johan Lansen, die tientallen jaren ervaring heeft in diverse instellingen voor mensen met oorlogstrauma's en gevolgen van marteling, schetste de aanpak die gebruikt wordt in Nederlandse centra zoals De Vonk in Oegstgeest, De Phoenix in Wolfheze, De Zandloper in Vught en het Sina?-Centrum in Amersfoort. In dat laatste centrum bijvoorbeeld is met succes behandeling gegeven aan gemengde groepen van zowel geweldsgetroffenen als mensen met bepaalde psychiatrische stoornissen. Lansen legde op de elementaire verzorging de nadruk: `Opname in een kliniek is voor de betrokkenen al heel ingrijpend. We hebben gemerkt dat het vaak weinig zin heeft om direct op de trauma's in te gaan. Veel belangrijker is het een omgeving te scheppen van vertrouwen en dagelijkse hulp.'
Het laatste woord in deze dag, met maar liefst vijftien lezingen, was aan Danny Brom, een Nederlandse psycholoog die bij AMCHA in Jeruzalem werkt. Hij wees erop dat elke theorie en elke onderverdeling in `lotgenoten' gemakkelijk z'n doel voorbij kan schieten. Bovendien kan niemand voorspellen wat de toekomst voor geweldsslachtoffers nog in petto heeft. In Israël zagen de overlevenden van 1945 sindsdien al zes oorlogen aan zich voorbijtrekken. Hij vroeg aandacht voor was essentieel is bij de getroffenen: `De wereld is kapot en blijft kapot. Dat is een ervaring die vooraf gaat aan elke classificering.'
Daan Bronkhorst
NIEUWE EDITIE BROCHURE "Hulpverlening bij een hongerstaking"
Sinds de 2e herziene druk is er op het gebied van hongerstaken veel gebeurd. Vandaar de noodzaak om de nieuwe ervaringen te evalueren en te bundelen. Op dit moment ziet het er naar uit dat bijna artsen, die in de afgelopen 5 jaar bij de begeleiding van hongerstakingen betrokken zijn geweest, aan de opstelling van de nieuwe editie zullen meewerken. De Werkgroep Begeleiding Hongerstaking is inmiddels beginnen met de herziening van de inhoud. In de nieuwe uitgave zal onder meet aandacht worden besteed aan de volgende punten:
- betere omschrijving van het werk van een vertrouwensarts
- kwaliteitseisen voor een vertrouwensarts
- de plaats van en behoefte aan een non-interventie verklaring (behandelverbod)
- omgang met pers en media
- wilsbekwaamheid en psychiatrie
- massahongerstakingen
- misbruik van psychiatrische dwangmiddelen
Tijdens een werkconferentie zal de concepthandleiding besproken worden, waarna de nieuwe editie van "Hulpverlening bij een hongerstaking, een handleiding voor artsen en andere hulpverleners die met hongerstakers te maken krijgen" beschikbaar zal zijn.
NETWERK CONSULENTEN
Het sinds ruim een jaar bestaande Netwerk Consulent-Vertrouwensartsen Hongerstakers is uitgebreid. Doelstelling van deze groep van ervaren vertrouwensartsen is om beschikbaar te zijn voor (beginnende) vertrouwensartsen voor intercollegiale (telefonische) advisering en eventueel counseling. De namen en adressen van de consulenten zijn op het secretariaat van de JWS beschikbaar.
PERSARTS
De grote belangstelling van de pers voor het onderwerp hongerstaking heeft het noodzakelijk gemaakt om een woordvoerder namens de werkgroep aan te wijzen. Contactpersoon voor de pers en media is Balthasar Schaap, GGD arts in Den Helder. Sinds december heeft Balthasar Schaap tientallen perscontacten gehad en interviews voor radio, TV en dagbladen gegeven.
OPNIEUW BLOKKADE PALESTIJNS DORP DOOR LEGER VAN ISRAEL
In 1998 publiceerde de JWS samen met PHR-UK het rapport A False Dawn, waarin de bevindingen van hun gezamenlijke missie naar Gaza en de West Bank in 1997 staan. Een van de belangrijkste bevindingen zijn de ernstige en soms fatale gevolgen van het Israëlische beleid om hele dorpen of stadsdelen af te sluiten uit veiligheidsoverwegingen. De conclusie in het rapport is dat deze sluitingen het karakter hebben van collectieve straffen, en dat zij een ernstige schending van het recht op vrije toegang tot gezondheidszorg inhouden, zoals deze beschreven is in zowel International human Rights Law als in International Humanitarian Law.
De blokkades zijn sindsdien niet gestopt, en regelmatig doen zich deze schendingen voor, met soms ernstige gevolgen voor de gezondheid van de Palestijnse inwoners.
De JWS maakt zich ernstig bezorgd over de voortgang van de blokkades, en protesteert hiertegen.
LAW, de Palestijnse mensenrechtenorganisatie, aangesloten bij de International Commission of Jurists, publiceerde onderstaand persbericht.
ISRAEL BLOCKADES VILLAGE FOR FIFTH DAY
5 April, 1999
The blockade imposed by Israeli occupying forces on the village of Dier Abu Mish'al - 30km north of the West Bank town of Ramallah ? has entered its fifth consecutive day. The blockade began on Wednesday 31 March 1999 after an Israeli settler from the nearby settlement of Halmish claimed stones had been thrown at him from the direction of the village. The Israeli forces arrested 21 young people from the village amongst them were Khalid al- Kbari 13, Wiliam al- Barghouthi 14, Walid Mahmoud 14, Ni'man Yousif 17, Muhammad Jumhour 15, Ahmad
Abdissalam 17 and Hasan Rasim 14, all of whom are minors.
Israeli soldiers have prevented the people from leaving or entering the village. They have assaulted several people. Muhammad Hasan al-Sabti, 21, was beaten by soldiers when he tried to enter the village. The houses are searched daily, especially after midnight.
On 3 April 1999, Israeli troops prevented Suleiman Eidh, 75, from entering the village to go home after coming back from pilgrimage in Mecca. Fatmeh Hasan, 6 years suffers from cancer, was denied entry for several hours after receiving hospital treatment outside the village. Hasan Dawoud, 80, who suffers from diabetes, and his 75-year-old wife who suffers from paralysis, were both refused permission to leave the village to go to hospital. Five or six people suffering from kidney failure were also forbidden to leave the village for treatment.
Ibrahim Rabi', 45, was one of these people. A Red Crescent Society doctor was prevented from entering the village to offer medical assistance to those unable to leave the village. More than fifty people have not been allowed to enter the village since last Wednesday, and reports have indicated that there is a food shortage.
This is not the only attention from Israeli forces recently. On 12 March 1999, an Israeli soldier who randomly opened fire in the village hit Husain al-Barghouthi, 8 years in the head with a canister fracturing his skull.
OPEN BRIEF MENSENRECHTEN VOOR DE INWONERS VAN KOSOVO
De humanitaire ramp die zich op de Balkan voltrekt, wordt gekenmerkt door schendingen van de rechten van de inwoners van Kosovo op basis van hun etnische afkomst. In de discussies over de rechtmatigheid van bombardementen, de politieke risico's voor buurlanden, en de verschaffing van broodnodige humanitaire hulp, moet het aspect van het herstel en de bescherming van de rechten van de inwoners van Kosovo meer aandacht krijgen.
De Joegoslavische autoriteiten hebben de eerste verantwoordelijkheid hun rechten te respecteren en zij moeten ook in dat kader het internationaal humanitair recht respecteren. Daarnaast rust ook op de internationale gemeenschap een grote verantwoordelijkheid. Daarom richten onderstaande maatschappelijke organisaties in Nederland zich tot publiek en politiek met de volgende oproep:
1. Het recht op de eigen identiteit:
Van de Kosovaren is het recht als persoon te worden erkend fundamenteel geschonden: de Joegoslavische autoriteiten hebben stelselmatig identiteitsbewijzen van Kosovaren vernietigd. Herstel van de identiteit van
de vluchtelingen door middel van een parallelle burgerlijke stand is voorwaarde voor een toekomstig bestaan. Registratie van de individuele vluchteling met oorspronkelijke woonplaats, familie en vluchtomstandigheden
is daarvoor noodzakelijk.
Wij roepen de UNHCR en de OVSE op hieraan meer aandacht te geven en co?rdinatie op dit punt te realiseren
.
2. Het recht op asiel:
Het recht om asiel te zoeken en te verkrijgen is overduidelijk van toepassing: Omdat de Kosovaren verdreven zijn wegens hun etniciteit, moeten zij als vluchteling worden erkend en moeten zij bescherming krachtens het
Vluchtelingenverdrag genieten. Op basis van de 'basic principles' van het internationaal humanitair recht - vrijwillige terugkeer, gezinshereniging en prioriteit voor ouderen en zwakken - hebben vluchtelingen het recht om
transport naar een ander land te weigeren en om als familie bij elkaar te blijven. Niet alleen buurlanden, maar ook andere Europese landen moeten onder co?rdinatie van de UNHCR aan Kosovaren die dat willen, toegang, opvang
en rechtszekerheid aanbieden. Het ontbreken van papieren mag opvang van vluchtelingen in de zin van het Verdrag niet in de weg staan.
Wij roepen de Nederlandse en Europese regeringen op om deze fundamentele rechten te realiseren en de Kosovaren opvang als vluchtelingen in de zin van het Verdrag te bieden.
3. Het vervolgen van daders:
De vluchtelingen zijn behalve slachtoffers van schendingen van de rechten van de mens, ook belangrijke getuigen om de daders en verantwoordelijken daarvoor te achterhalen en te vervolgen. Het Joegoslavi?-tribunaal is door
de internationale gemeenschap ingesteld om daders van en verantwoordelijken voor ernstige mensenrechtenschendingen te berechten. Het is van het grootste belang voor de toekomstige rechtsgang dat de gegevens deskundig, op juridisch bruikbare manier en met aandacht voor gender-specifieke schendingen worden opgenomen.
Wij roepen de Nederlandse en Europese regeringen op meer fondsen ter beschikking te stellen ten behoeve van het Joegoslavi?-tribunaal, en om daartoe ook in de internationale fora een voortrekkersrol op zich te nemen
.
4. Het recht op verhaal:
De vluchtelingen die dat wensen hebben er recht op hun verhaal te doen om gericht hulpverlening in medisch en psychologisch opzicht te kunnen verkrijgen. Deze begeleiding moet door deskundige krachten worden verricht
die in de eigen taal van de vluchteling werken. Vrouwen, ook van regionale en lokale NGO's die op dit terrein werkzaam zijn, moeten een rol spelen bij een vermoeden van verkrachting en andere vormen van geweld tegen vrouwen.
Het vastleggen van het verhaal is ook nodig om later aanspraak te kunnen maken op rechtsherstel en schadeloosstelling voor geleden verlies. Verdere opbouw van vijandbeelden en het gebruik van oorlogsterminologie kan worden tegengegaan door het op gang brengen van een op verzoening gerichte dialoog en door steun te verlenen aan vrije media.
Wij roepen alle actoren die actief zijn op het terrein van humanitaire hulpverlening op om aandacht te schenken aan medische, psychische en juridische hulpverlening en om de afstemming en samenwerking met lokale NGO's en met elkaar te intensiveren.
5. Het recht op vrijwillige terugkeer en een toekomstig bestaan:
De bescherming van het individu staat voorop. Het recht op terugkeer mag niet verworden tot een plicht tot terugkeer. Een toekomstig bestaan kan wel alleen worden opgebouwd als met de voorbereiding daarvan nu al wordt
begonnen. Een politieke oplossing dient gepaard te gaan met voorwaarden op het terrein van de garantie van mensenrechten zoals bescherming van alle inwoners ongeacht hun etniciteit, fysieke en sociale veiligheid waaronder
een veilige woonplaats in eigen land voor degenen die nu gevlucht zijn, en rechtszekerheid. In deze bescherming van veiligheid en waardigheid van alle inwoners heeft de internationale gemeenschap een eigen verantwoordelijkheid.
Wij roepen de Nederlandse regering, en via hen alle andere internationale betrokkenen op om deze verantwoordelijkheid op zich te nemen.
Ondertekenaars:
Admira (hulpverlening aan slachtoffers van oorlog en seksueel geweld), Amnesty International Nederland, Beraad Nederland Kosova, CNV, Commissie Justitia et Pax, Co?rdinatie Raad Albanezen in Nederland, CRAN, Cordaid (Bilance, Memisa, Mensen in Nood), FNV, Hivos, Humanistisch Overleg Mensenrechten (HOM), ICCO (Interkerkelijke organisatie voor ontwikkelingssamenwerking), IKV (Interkerkelijk Vredesberaad), Kerken in Aktie, Landelijk Beraad VredesOrganisaties, LBVO, Lopend Vuur, Nederlands Helsinki Comit?, Nederlands Juristen Comit? voor de Mensenrechten (NJCM), Novib, Pax Christi Nederland, Press Now, Stichting Oecumenische Hulp (SOH), VluchtelingenWerk Nederland, Vluchtelingen Organisaties Nederland (VON), Vrouwen voor Vrede, Werkgroep Mensenrechten van de Raad van Kerken, WILPF, Johannes Wier Stichting voor Mensenrechten en Gezondheidszorg, YWCA Nederland.
PERSBERICHT
Inwoners van Kosovo hebben recht op meer dan voedsel en dekens
Een groot aantal mensenrechten-, ontwikkelings- en andere maatschappelijke organisaties heeft een gezamenlijke verklaring doen uitgaan naar Nederlandse politici en humanitaire organisaties om meer aandacht te vragen voor de rechten van de bewoners van Kosovo.
De meer dan 25 organisaties, onder wie FNV en CNV; ICCO, Novib, Cordaid en Hivos; Amnesty International en VluchtelingenWerk Nederland, vinden dat er doelgericht gewerkt moet worden om de rechten van de vluchtelingen nu en in de toekomst veilig te stellen, door middel van het uitgeven van nieuwe identiteitsbewijzen, het aanbieden van asiel aan vluchtelingen die dat wensen en het garanderen van vrijwilligheid als het gaat om transport naar
andere landen.
De organisaties willen meer geld voor gerichte medische en psychische hulp en voor projecten waardoor de vrije media worden ondersteund en er weer een dialoog op gang gebracht kan worden. De Nederlandse regering moet samen met andere staten volgens de organisaties meer geld ter beschikking stellen voor het Joegoslavi?-tribunaal.
Meer informatie:
Martha Meijer, Humanistisch Overleg Mensenrechten, tel. werk: 030 233 40 27, fax: 030 236 71 04, e-mail: hom@euronet.nl
GEZAMENLIJKE VERKLARING MAATSCHAPPELIJKE ORGANISATIES
In de discussies over de rechtmatigheid van bombardementen, politieke risico's voor buurlanden, en de verschaffing van broodnodige humanitaire hulp moet het aspect van de rechten van de Kosovaren meer aandacht krijgen. Daarom richten de gezamenlijke mensenrechtenorganisaties in Nederland zich tot publiek en politiek met de volgende stellingname:
Uitgangspunt:
De militaire, politieke en humanitaire inzet dient veel meer dan tot nu toe te worden afgestemd op overwegingen die de rechten van de slachtoffers betreffen. Dat betekent:
1. Het recht op de eigen identiteit:
Het recht als persoon te worden erkend (art. 6 UVRM) is structureel geschonden: de Servi?rs hebben stelselmatig identiteitsbewijzen van Kosovaren vernietigd tot aan autonummerplaten toe.
Herstel van de identiteit van de vluchtelingen is topprioriteit naast voedsel en onderdak. Registratie van de individuele vluchteling met woonplaats, familie en vluchtomstandigheden is daarvoor noodzakelijk. Dit kan worden gerealiseerd via een eenvoudig databestand in aan elkaar gekoppelde computers in de diverse kampen.
2. Het recht op asiel:
Het recht om asiel te zoeken (art. 14 UVRM) is geschonden door het sluiten van de grenzen, en de gedwongen 'doorvoer' van Kosovaren. Vluchtelingen hebben het recht om 'doorvoer' te weigeren en om als familie bij elkaar te blijven. Niet alleen buurlanden, maar ook andere Europese landen moeten - voor de Kosovaren die dat willen - opvang aanbieden.
3. Het recht op verhaal:
Vluchtelingen hebben er recht op hun verhaal te doen met een tweeledig doel: de getuigenissen zijn belangrijk om ooit een poging te doen tot 'redress' voor wat er is gebeurd, en ze zijn belangrijk om de waarheid en verantwoordelijken te achterhalen en te vervolgen. Dit moet gebeuren door interviewers die geco?rdineerd, gericht en waar nodig gender-specifiek vragen kunnen stellen in samenwerking met lokale of regionale NGO's en medewerkers van het Joegoslavie tribunaal.
4. Het recht op psychische hulp:
Het vragen van getuigenissen moet gepaard gaan met het bieden van psychische hulp ('counseling') door ervaren krachten die in de eigen taal van de vluchteling moeten kunnen werken. Vrouwen, met name van regionale NGO's kunnen een rol spelen bij een vermoeden van gender-specifieke schendingen. Bewust tegengaan van oorlogsterminologie en het Servische vijandbeeld moet daarvan onderdeel uitmaken.
5. Het recht op terugkeer en een toekomstig bestaan:
Het recht op terugkeer (art. 13 UVRM) lijkt op dit moment een brug te ver. Een toekomstig bestaan ondenkbaar. Toch moet nu al rekening worden gehouden met de mogelijkheden van wederopbouw. Een politieke oplossing dient uit te gaan van een veilige woonplaats in eigen land voor degenen die nu gevlucht zijn. Het safe haven concept heeft in Srebrenica aangetoond niet te voldoen. Een korte termijn oplossing is een internationale vredesmacht die een mandaat heeft waarbij mensenrechten een belangrijke toetssteen vormen. Op de langere termijn moeten lessen uit Bosni? worden geleerd.
Geplaatst op: donderdag 1 april 1999
Johannes Wier Stichting: de mensenrechtenorganisatie van en voor artsen, verpleegkundigen en paramedici. De Johannes Wier Stichting mobiliseert professionals in de gezondheidszorg voor de bevordering van mensenrechten.
